Farmaceutische bedrijven en onderzoekers zijn druk bezig met het testen van een nieuwe vorm van celtherapie bij mensen: de zogenaamde *in vivo* CAR-T therapie. Bij deze behandeling worden cellen die al in het lichaam van de patiënt zitten direct aangepast met een gen dat ze een nieuwe functie geeft, in plaats van cellen eerst buiten het lichaam te bewerken en daarna terug te plaatsen (zoals bij ‘traditionele’ celtherapie). Dit gebeurt met behulp van een vector, een soort ‘transportmiddel’ zoals een gewijzigd virus of een vetdeeltje (lipide nanodeeltje, LNP).
Deze nieuwe benadering trekt veel aandacht van grote farmaceutische bedrijven, blijkt uit recente overnames. Zo kocht AstraZeneca in maart 2025 het bedrijf EsoBiotec voor maar liefst 1 miljard dollar, om hun in vivo therapieën verder te ontwikkelen. Ook andere grote namen als Eli Lilly, AbbVie en Bristol Myers Squibb hebben recent miljarden geïnvesteerd in bedrijven die aan in vivo therapieën werken. Tijdens een belangrijke conferentie over cel- en gentherapie in 2026 bleek dat deze behandelingen steeds volwassener worden en dat er steeds meer gespecialiseerde bedrijven opkomen om de technische uitdagingen het hoofd te bieden.
Momenteel bevinden de meeste in vivo therapieën zich nog in de vroegste fases van onderzoek, namelijk preklinisch of fase I-studies. Toch zijn farmaceutische reuzen al bereid om grote bedragen te betalen voor deze technologie, zelfs voordat er veel klinische gegevens beschikbaar zijn. Een voorbeeld is de in vivo CAR-T therapie van AstraZeneca, die momenteel wordt getest bij vijf patiënten met multipel myeloom (een vorm van beenmergkanker). Bij vier van deze patiënten zag men een positieve reactie op de behandeling en bij drie patiënten was de ziekte zelfs volledig verdwenen. Ook andere bedrijven, zoals Create Medicines en Kelonia Therapeutics, hebben begin 2026 hoopgevende eerste resultaten gepubliceerd.
Volgens experts zoals Adam Inche, CEO van het Schotse bedrijf Lentitek, is de term ‘in vivo celtherapie’ eigenlijk een beetje misleidend. Deze therapieën werken eigenlijk meer als gen-therapieën, waarbij een nieuw gen wordt toegevoegd aan cellen in plaats van een bestaand gen te corrigeren. De Amerikaanse FDA ziet deze behandelingen dan ook als gen-therapieën en niet als afzonderlijke celtherapieën.
Een bijzondere ontwikkeling is de Xynvivo-technologie van het bedrijf Lupagen. Hierbij worden bloedcellen van de patiënt bij het bed van de patiënt kortstondig buiten het lichaam behandeld met een gen en vervolgens teruggegeven aan de patiënt. Dit proces lijkt een beetje op dialyse en voorkomt dat het lichaam het ‘transportmiddel’ (de vector) afstoot. Deze aanpak combineert elementen van in vivo en ex vivo therapieën en biedt meer controle over de dosering en het type cellen dat wordt behandeld.
Hoewel in vivo therapieën veelbelovend zijn, zijn er nog wel uitdagingen. De grootste problemen zijn:
– Het nauwkeurig doseren van de behandeling, omdat het lichaam de cellen niet direct controleert.
– Het risico dat de vectoren per ongeluk andere cellen dan de bedoelde cellen aantasten.
– Het immuunsysteem van de patiënt dat de vectoren kan afstoten.
Er zijn verschillende soorten vectoren die elk hun eigen voor- en nadelen hebben. Virale vectoren kunnen genen permanent in de cellen integreren, maar kunnen ook een immuunreactie oproepen of zelfs het risico op kanker verhogen. Vetdeeltjes (LNPs) kunnen genen tijdelijk activeren en zijn makkelijker te maken, maar richten zich vaak op levercellen en kunnen ook een immuunreactie veroorzaken.
Bedrijven zoals Lentitek werken aan oplossingen voor deze problemen. Zo heeft Lentitek technologie ontwikkeld om te voorkomen dat genen tijdens de productie van virale vectoren per ongeluk worden ‘gesneden’ (splicing), wat kan leiden tot onjuiste behandelingen.
Een belangrijk voordeel van in vivo therapieën is dat ze mogelijk kunnen worden geproduceerd als kant-en-klare behandelingen (zogenaamde ‘allogene’ therapieën), wat de productie en distributie eenvoudiger maakt dan bij traditionele celtherapieën. Toch zijn er nog steeds uitdagingen op het gebied van schaalbaarheid en complexiteit van de genetische bewerking. Experts verwachten daarom dat zowel in vivo als ex vivo therapieën naast elkaar zullen blijven bestaan.
De productie van in vivo therapieën is nog volop in ontwikkeling. Er zijn momenteel slechts een paar bedrijven die de grondstoffen leveren voor het maken van veilige vetdeeltjes (LNPs). Ook zijn er vaak dure licenties nodig voor geavanceerde technologieën. Bedrijven zoals Lonza spelen een belangrijke rol door farmaceutische ontwikkelaars te helpen met het opzetten van betrouwbare productieprocessen en het afdekken van licentiekosten.
Ook de manier waarop therapieën worden geproduceerd, verschilt per behandeling en per patiënt. In plaats van te proberen alles op grote schaal te produceren (scaling-up), kijken bedrijven zoals Team Consulting naar manieren om productie te schalen door kleine, op maat gemaakte batches te maken (scaling-out). Een voorbeeld hiervan is de NANOme-technologie, ontwikkeld met Team Consulting, die genetische ladingen verpakt in kleine hoeveelheden vetdeeltjes voor individuele patiënten.
Ondanks de uitdagingen zien veel experts in vivo therapieën als een veelbelovende stap voorwaarts. Ze zijn eenvoudiger te produceren dan traditionele celtherapieën, omdat er geen complexe celbehandeling nodig is. Wel is het belangrijk dat investeerders vroeg in de ontwikkeling geld beschikbaar stellen, zodat de productie op tijd kan worden opgeschaald als de therapieën succesvol blijken.